Agapornis Personatus

 
Nederlands ook Zwartmasker-Agapornis genoemd.
KENMERKEN:
Hun lengte is 15-16 cm.
Het geslacht is uiterlijk niet zichtbaar.
De volwassen vogels zijn overwegend groen: met pikzwarte kop, nek en borst is geel, bruine ogen met witte oogring.
De stuit is mauve, de snavel koraal rood, poten grijs en nagels donkergrijs.
LEEFRUIMTE:
Zij overleven door het eten van zaden van aanwezige bomen en struiken. Geslapen wordt er in boomholtes.
VERSPREIDING:
Noordelijk deel van Tanzania, waarschijnlijk ook ingevoerd in Zuid-Korea.
BROEDEN:
In het wild doen deze vogels aan koloniebroed. Een legsel bestaat uit 4 tot 6 eieren en de broedduur bedraagt 22 dagen. Genesteld wordt er in boomholtes en ook wel eens onder de pannen en timmerwerken. Wilgetakken zijn zeer gegeerd. De Personatus geeft betrekkelijk weinig problemen in de kweek en verzorging.
 
 Agapornis Fischeri
 
Wordt in het Nederlands ook Rozekop-of Fischers-Agapornis genoemd.
KENMERKEN:
Hun lengte is 14-15 cm.
Het geslacht is uiterlijk niet zichtbaar.
De volwassen vogels zijn overwegend groen: met olijfgroene hals, oranjerood voorhoofd dat overgaat naar een lichtere tint op de bef. Stuit donkerblauw naar violet toe.
Hun snavel is rood, poten grijs en nagels donkergrijs.
LEEFRUIMTE:
Leven op een hoogte tussen 1000 à 1700 meter in kleine groepjes. Kleine bossen met tussenliggende vlakten worden graag bezocht, ook zijn zij vaak te vinden aan de mais en milletvelden.
VERSPREIDING:
Ten Zuiden en Zuidoosten van het Victoriameer.
BROEDEN:
Na de Roseicollis de meest gehouden aga. Een legsel bestaat uit 4 tot 6 eieren en de broedduur bedraagt 22 dagen. De Fischeri behoort tot één van de grootste knagers der agaporniden, wilgetakken zijn hier steeds welkom. De Fischeri geeft betrekkelijk weinig problemen bij de kweek en verzorging.